Een reageerbuis is geen spijsverteringsstelsel
Waarom veel voedingsonderzoek overtuigend lijkt, maar weinig zegt over het menselijk lichaam
Door Jan Duymelinck | Natuurlijke Gezondheid | 03 februari 2026
Inleiding – waarom dit artikel?
“Wetenschappelijk aangetoond.” Het is misschien wel de meest gebruikte zin in communicatie over voeding en gezondheid. Antioxidanten zouden cellen beschermen, plantenstoffen ontstekingen remmen en extracten het immuunsysteem versterken. Vaak worden die claims ondersteund door studies, grafieken en meetwaarden.
Toch blijft de praktijk weerbarstig. Mensen voelen zich niet noodzakelijk beter, klachten verdwijnen niet automatisch en resultaten blijken moeilijk reproduceerbaar. Dat is geen detailprobleem, maar een structurele spanning binnen voedingsonderzoek.
De kern van die spanning ligt in een fundamenteel onderscheid dat zelden wordt uitgelegd: het verschil tussen in vitro en in vivo. Het klinkt technisch, maar het bepaalt of onderzoek iets zegt over het menselijk lichaam, of vooral over wat er gebeurt in een gecontroleerde laboratoriumomgeving.
Probleem of vraagstelling
Waarom tonen zoveel voedingsstoffen en plantenextracten indrukwekkende effecten in studies, terwijl diezelfde effecten bij mensen nauwelijks aantoonbaar zijn? En waarom blijven laboratoriumresultaten zo dominant in gezondheidscommunicatie?
Context schetsen
In voedings- en farmacologisch onderzoek wordt vaak gestart met experimenten buiten het menselijk lichaam. Dat is logisch: in vitro onderzoek is sneller, goedkoper en beter controleerbaar. Het laat toe om mechanismen te verkennen en hypotheses te formuleren.
Het probleem ontstaat wanneer deze eerste onderzoeksfase wordt gepresenteerd als bewijs van werking bij mensen. De context verdwijnt, het onderscheid vervaagt, en voorlopige bevindingen krijgen een status die ze wetenschappelijk niet dragen. Zo ontstaat een kloof tussen wat onderzoek daadwerkelijk aantoont en wat de consument denkt te lezen.
Kader: waar spreken we hier exact over?
In vitro onderzoek betekent letterlijk “in glas”. Het gaat om experimenten in reageerbuizen of petrischalen, vaak met geïsoleerde cellen of weefsels.
In vivo onderzoek gebeurt in een levend organisme, zoals een mens, waarbij spijsvertering, opname, omzetting en uitscheiding allemaal meespelen.
Wat we hier wel bespreken:
- De beperkingen van in vitro voedingsonderzoek
- Waarom resultaten zelden één-op-één vertaalbaar zijn naar het menselijk lichaam
Wat we hier niet doen:
- In vitro onderzoek afschrijven
- Alternatieve claims verdedigen
In vitro onderzoek heeft waarde, maar alleen wanneer het binnen zijn grenzen wordt geïnterpreteerd.
Wat zegt de wetenschap (in mensentaal)?
In laboratoriumstudies tonen plantenextracten vaak sterke effecten. Ze neutraliseren vrije radicalen (reactieve moleculen die cellen kunnen beschadigen), remmen bacteriegroei of beïnvloeden ontstekingsroutes. Dit wordt gemeten met gestandaardiseerde testen zoals antioxidatieve assays.
Maar overzichtsstudies tonen keer op keer hetzelfde probleem: deze testen zeggen weinig over wat er in het menselijk lichaam gebeurt. De gebruikte concentraties liggen vaak ver boven wat via normale voeding haalbaar is, en de stoffen worden rechtstreeks op cellen aangebracht, zonder tussenkomst van vertering of metabolisme.
Bij inname via voeding verandert alles. Stoffen worden afgebroken door maagzuur en enzymen, slechts gedeeltelijk opgenomen in de darm, omgezet in de lever en beïnvloed door het microbioom. Veel polyfenolen en antioxidanten blijken een lage biologische beschikbaarheid te hebben, waardoor hun in vivo effect sterk beperkt is.
Marketing en populaire media presenteren in vitro bevindingen alsof ze automatisch klinische betekenis hebben.
Waar gaat het mis in de praktijk?
De fout zit zelden in het onderzoek zelf, maar in de vertaling ervan. Marketing en populaire media presenteren in vitro bevindingen alsof ze automatisch klinische betekenis hebben. “Toont antioxidatieve activiteit” wordt “beschermt het lichaam”.
Wetenschappelijke evaluaties, zoals die van de Europese voedselveiligheidsautoriteit, laten zien dat veel gezondheidsclaims sneuvelen precies om deze reden: er is onvoldoende in vivo bewijs bij mensen. Het gat tussen laboratorium en lichaam wordt overslagen, niet overbrugd.
Dit is geen randfenomeen in plantenonderzoek. Het is een structureel patroon.
Wat betekent dit voor het lichaam?

Het menselijk lichaam werkt als een geïntegreerd systeem. Stoffen functioneren niet los, maar binnen:
- het spijsverteringsstelsel
- de lever als centraal metabolisch filter
- het microbioom, dat stoffen kan activeren of neutraliseren
- het immuunsysteem, dat contextafhankelijk reageert
Een reageerbuis kent geen opnamebeperking, geen omzetting, geen uitscheiding. Wie die realiteit negeert, verwart potentieel met werking.
Praktische duiding (geen dieetadvies)
Wat kan een lezer hieruit meenemen?
- Claims gebaseerd op laboratoriumstudies vragen extra voorzichtigheid
- Meer of geconcentreerder betekent niet automatisch effectiever
- “Wetenschappelijk onderzocht” is betekenisloos zonder context
Wat hier niet uit volgt:
- Dat planten of voeding nutteloos zijn
- Dat alleen klinische studies waarde hebben
Het betekent wel dat interpretatie minstens zo belangrijk is als data.
Kritische reflectie
Wetenschap beschrijft omstandigheden, geen beloftes. In vitro onderzoek toont mogelijkheden, geen garanties. Zolang dat onderscheid niet expliciet wordt gemaakt, blijft voedingscommunicatie structureel misleidend, ook zonder kwade intentie.
Meer studies lossen dit niet automatisch op. Beter begrip wel.
Afsluiting – begrijpen, leren en leven
Een reageerbuis is geen spijsverteringsstelsel. Het lijkt een open deur, maar in voedingscommunicatie wordt ze dagelijks genegeerd. Wie gezondheid ernstig neemt, moet leren kijken voorbij grafieken en claims, en begrijpen hoe het lichaam werkelijk functioneert.
Niet alles wat meetbaar is, is betekenisvol.
Niet alles wat publiceerbaar is, is toepasbaar.
Begrijpen komt vóór geloven.
Leren vraagt context.
En leven met gezondheid begint bij kritisch denken.
📚 Bronnen (APA)
- EFSA Panel on Dietetic Products, Nutrition and Allergies. (2010). Scientific substantiation of health claims related to antioxidants. EFSA Journal, 8(2), 1489.
- Halliwell, B. (2007). Dietary polyphenols: Good, bad, or indifferent for your health? Cardiovascular Research, 73(2), 341–347.
- Manach, C., Scalbert, A., Morand, C., Rémésy, C., & Jiménez, L. (2004). Polyphenols: food sources and bioavailability. American Journal of Clinical Nutrition, 79(5), 727–747.
- Prior, R. L., Wu, X., & Schaich, K. (2005). Standardized methods for the determination of antioxidant capacity. Journal of Agricultural and Food Chemistry, 53(10), 4290–4302.
- Williamson, G., & Clifford, M. N. (2017). Colonic metabolites of berry polyphenols: the missing link to biological activity? British Journal of Nutrition, 118(10), 747–755.