Heeft vloeibaar voedsel een toekomst?

Wat blenden verandert, wanneer een drank helpt en hoe je lichaam de ingrediënten verwerkt.

Kort gezegd

Een goed samengestelde smoothie kan het gemakkelijker maken om verschillende voedingsmiddelen in afgemeten hoeveelheden te combineren. Naast fruit, groenten, noten en zaden kunnen ook kruiden en specerijen een plek krijgen. Zo kun je ingrediënten verwerken die je anders weinig gebruikt en kun je smaak, geur en dikte afstemmen op je eigen voorkeuren. Bij blenden blijven de vezels uit de gebruikte ingrediënten grotendeels in de drank aanwezig, zolang je het mengsel daarna niet zeeft. Blenden kan bovendien celwanden openbreken, zodat verteringsenzymen beter bij de opgeslagen voedingsstoffen kunnen komen. De meerwaarde hangt af van de gekozen ingrediënten, hun hoeveelheden en bereiding, en van wat de drank binnen je dagelijkse voeding aanvult of vervangt.

Je kunt een appel eten, noten kauwen en yoghurt lepelen. Je kunt ze ook samen blenden en opdrinken. Dat vraagt minder kauwwerk en maakt het makkelijker om ingrediënten in één portie te combineren. De bereiding verandert ook de structuur van het voedsel en brengt stoffen uit verschillende ingrediënten samen. Wat betekent dat voor de vertering, voor darmbacteriën en voor het gebruik van een voedingsdrank tijdens het herstel?

In deze publicatie bekijken we vooral smoothies en de rol van voedingsdranken bij herstel: wat de bereiding verandert en wanneer drinken helpt om voldoende voeding binnen te krijgen.

Van het glas naar maag en darmen

Een smoothie kan dun en gemakkelijk drinkbaar zijn, maar ook stroperig door de gebruikte ingrediënten. Hoe snel hij de maag verlaat, hangt onder meer af van het volume, de hoeveelheid calorieën en de eigenschappen van het mengsel. Alleen weten dat een maaltijd vloeibaar is, volstaat dus niet om te voorspellen hoe de maag die verwerkt of hoe vol je je daarna voelt.

Onderzoekers vergeleken bij vijftien gezonde mannen vier zuiveldranken die zij op afzonderlijke dagen kregen. Elke portie was 500 milliliter: een dunne en een dikke drank van 100 kilocalorieën en een dunne en een dikke drank van 500 kilocalorieën. De verhouding tussen de calorieën uit koolhydraten, eiwitten en vetten was telkens hetzelfde. Voor het verschil in stroperigheid gebruikten de onderzoekers johannesbroodpitmeel, een vezelrijk verdikkingsmiddel. Gedurende negentig minuten volgden de onderzoekers met MRI-scans de maaginhoud en vroegen ze de deelnemers hoe vol ze zich voelden. Bij eenzelfde hoeveelheid calorieën verliet de dikkere drank de maag langzamer. Meer calorieën vertraagden de maaglediging sterker. Toch voelden de deelnemers zich na veertig minuten voller na de dikke drank van 100 kilocalorieën dan na de dunne drank van 500 kilocalorieën. Maaglediging en het ervaren van een vol gevoel liepen dus niet parallel.

Dit onderzoek laat zien waarom we bij een smoothie de portiegrootte, voedingswaarde en stroperigheid samen moeten bekijken. Het onderzocht zuiveldranken; de precieze resultaten gelden voor die bereidingen. Het geeft geen vaste maagledigingstijd voor een smoothie met fruit, groenten, noten en zaden. Ook betekent een vol gevoel op zichzelf niet dat de drank voldoende voedingsstoffen levert.

Ook het blenden en het persen van sap leveren iets anders op. In een smoothie blijven de eetbare delen die je in de blender stopt grotendeels aanwezig, inclusief de vezels. Bij sapbereiding door persen of zeven wordt een deel van het vaste materiaal afgescheiden. Daarmee verdwijnt ook een deel van de vezels uit de drank. Een gladde smoothie kan dus nog vezels bevatten; aan de dikte alleen kun je niet zien hoeveel.

Na het drinken gaat de vertering verder. Verteringsenzymen breken eiwitten af tot onder meer aminozuren, de bouwstenen waarmee je lichaam nieuwe eiwitten kan maken. Uit vetten komen onder meer vetzuren vrij; verteerbare koolhydraten worden afgebroken tot eenvoudige suikers, zoals glucose. De dunne darm neemt zulke kleine bestanddelen op. Hun concentratie in het bloed hangt af van wat uit de darm binnenkomt, maar ook van wat het lichaam omzet, gebruikt of opslaat. Een bloedwaarde is daarom geen rechtstreekse meting van de totale opname uit een maaltijd.

Ook de bloedsuikerreactie hangt af van het recept. Twintig gezonde studenten aten op de eerste onderzoeksdag 190 gram appel met schil samen met 148 gram bramen. Op een andere dag dronken ze dezelfde hoeveelheden fruit geblend met water en ijs. Bij het hele fruit kregen ze dezelfde hoeveelheid water. Gedurende één uur steeg de bloedsuiker na de geblende vruchten minder hoog en was ook de opgetelde stijging boven de beginwaarde kleiner. De vaste volgorde en de korte meetduur beperken de conclusie. Wel laat deze vergelijking van dezelfde vruchten zien dat blenden niet noodzakelijk een hogere suikerpiek veroorzaakt. Voor een andere smoothie moet de samenstelling opnieuw worden beoordeeld.

Wat blenden verandert in de ingrediënten

In noten en zaden zitten vetten en andere voedingsstoffen opgeslagen in cellen met een stevige wand. Tijdens het blenden kunnen die wanden breken. Verteringsenzymen kunnen dan makkelijker bij de vetten komen en ze afbreken.

Schema waarin blenden celwanden van noten en zaden kan openen, waardoor vetten beter bereikbaar worden voor verteringsenzymen.
Blenden kan celwanden openen, zodat verteringsenzymen beter bij de vetten kunnen.

Bij achttien gezonde volwassenen onderzochten wetenschappers vier vormen van amandelen: hele ongeroosterde, hele geroosterde, gehakte amandelen en amandelpasta. In afzonderlijke voedingsperiodes kregen de deelnemers dagelijks 42 gram van één vorm en in een controleperiode geen amandelen. De onderzoekers berekenden hoeveel energie het lichaam kon gebruiken door de energie in de voeding te verminderen met de verliezen via ontlasting en urine. Omgerekend naar 42 gram was dat gemiddeld ongeveer 186 kilocalorieën voor hele ongeroosterde amandelen, 204 voor hele geroosterde amandelen, 212 voor gehakte amandelen en 274 voor amandelpasta.

Dezelfde hoeveelheid amandelen leverde dus niet bij elke bereiding evenveel bruikbare energie. Dat helpt te begrijpen waarom ook de verwerking van noten in een smoothie van belang kan zijn. Het onderzoek testte echter amandelpasta, geen smoothie met andere ingrediënten. Het mat bovendien de beschikbare energie, niet de opname van elk afzonderlijk vetzuur of de extra gezondheidswinst door het blenden.

Noten en zaden leveren ook onverzadigde vetzuren. Het lichaam gebruikt vetzuren onder meer voor de opbouw en het onderhoud van celmembranen, de dunne omhulsels van cellen. Sommige vetzuren moeten we uit de voeding halen, omdat het lichaam ze niet zelf kan aanmaken. Dat geldt voor linolzuur, een omega-6-vetzuur, en alfa-linoleenzuur, een omega-3-vetzuur. Welke je binnenkrijgt, hangt af van de gekozen ingrediënten: walnoten, lijnzaad en chiazaad leveren bijvoorbeeld alfa-linoleenzuur.

Ook wat je met de ingrediënten vervangt, maakt een verschil. Als onverzadigde vetten een deel van de verzadigde vetten in je voeding vervangen, kan het LDL-cholesterol dalen: de hoeveelheid cholesterol die LDL-deeltjes in het bloed vervoeren. Voor een smoothie telt het dus mee of noten of zaden een andere vetbron vervangen, of bovenop de bestaande voeding komen. Dit voordeel van een andere vetsamenstelling is afzonderlijk onderzocht en volgt niet uit de amandelstudie. Meer over hoe voeding het vettransport beïnvloedt.

Reacties tussen gemengde ingrediënten

Blenden brengt ook stoffen uit verschillende ingrediënten met elkaar in contact. Banaan bevat bijvoorbeeld polyfenoloxidase, een enzym dat met behulp van zuurstof bepaalde flavanolen kan omzetten. Flavanolen zijn plantaardige verbindingen die onder meer in cacao voorkomen. Wanneer je cacao-extract door een bananensmoothie mengt, kan een deel ervan daardoor al vóór het drinken veranderen. Tijdens het blenden kan lucht worden ingemengd; ook in de vloeistof kan al zuurstof aanwezig zijn.

Onderzoekers testten hetzelfde type cacao-extract in drie vormen: in capsules, rechtstreeks gemengd door een bananensmoothie met hoge polyfenoloxidaseactiviteit en met een bessensmoothie met lage activiteit. De hoeveelheden flavanolen verschilden:

Toediening van het cacao-extractFlavanolen uit het extractWaarvan (−)-epicatechine
In capsules, ingenomen met koemelk van 1% vet541 mg75 mg
Gemengd door banaan en amandeldrink638 mg88 mg
Gemengd door bessen, amandeldrink en yoghurt484 mg68 mg

De tabel vermeldt de flavanolen uit het extract; het fruit leverde daarnaast ook zelf flavanolen. Bij acht gezonde mannen waren capsulemetingen beschikbaar en bij zes smoothiemetingen. Gedurende 6 uur maten onderzoekers de omzettingsproducten van epicatechine, een van de flavanolen uit het extract, in het bloed. Na de bananensmoothie waren zowel de hoogste concentratie als de concentraties over de meetperiode samen veel lager dan na de capsules; bij de bessensmoothie waren ze vergelijkbaar. Dit wijst op een verschil in de combinatie van ingrediënten. De studie vergeleek geen verschillende zuurstofgehalten van hetzelfde recept en onderzocht ook geen gezondheidseffecten.

Voor het samenstellen van een smoothie betekent dit dat niet alleen welke stoffen je toevoegt telt. Ook reacties tussen de ingrediënten kunnen veranderen hoeveel van een stof in de oorspronkelijke vorm overblijft. De flavanolstudie geeft daarvan een concreet voorbeeld; ze bepaalt niet hoeveel verlies iedere andere combinatie oplevert.

De hoeveelheid lucht tijdens het blenden is een afzonderlijke bereidingskeuze. Bij vacuümblenden wordt lucht uit de mengbeker verwijderd. In een productonderzoek werden appels en blauwe bessen afzonderlijk met water geblend, telkens met en zonder vacuüm. Tijdens metingen direct na bereiding en na 3, 6 en 12 uur nam het gemeten totale polyfenolgehalte bij vacuüm minder af. Polyfenolen zijn een brede groep plantaardige verbindingen, waartoe ook flavanolen behoren. Dit onderzoek ondersteunt aandacht voor luchtcontact en bewaring tijdens de bereiding. Het onderzocht het product zelf; of mensen daardoor meer van deze stoffen opnemen, werd niet gemeten.

Verschillende vezels in één smoothie

Een smoothie kan het gemakkelijker maken om verschillende plantaardige voedingsmiddelen te combineren, zoals groenten, fruit, havermout, noten, zaden en kruiden. Zo kun je ook ingrediënten gebruiken die anders weinig in je maaltijden voorkomen. Door deze voedingsmiddelen te combineren of af te wisselen, kun je een gevarieerder aanbod van vezels binnenkrijgen. De gebruikte hoeveelheden tellen daarbij mee: een kleine toevoeging van kruiden draagt doorgaans minder bij aan de vezelinname dan een portie fruit of havermout.

Vezels hebben verschillende eigenschappen. Sommige vormen met water een gel, waardoor het mengsel van voedsel en verteringssappen stroperiger wordt. Andere vezels dragen vooral bij aan het volume van de ontlasting. Het vasthouden van water kan bovendien helpen om de ontlasting zacht te houden.

Darmbacteriën kunnen bepaalde vezels afbreken en omzetten. Dat proces heet fermentatie. Niet elke bacterie beschikt over dezelfde enzymen om dat te doen. Verschillende vezelbronnen kunnen daardoor verschillende aanwezige bacteriegroepen voedsel bieden. Welke groepen ervan profiteren, hangt af van de vezelsoorten, de hoeveelheden en de bacteriën die al in de darm leven.

Bacteriën kunnen daarbij samenwerken. De ene bacterie breekt een vezel af, waarna een andere bacterie de vrijgekomen stoffen verder verwerkt. Daarbij kan onder meer butyraat ontstaan, een vetzuur dat de cellen aan de binnenkant van de dikke darm als brandstof gebruiken. De betekenis van vezelvariatie ligt dus ook in de activiteit en samenwerking tussen darmbacteriën. Meer verschillende vezels leiden echter niet bij iedereen tot meer bacteriesoorten of meer butyraat.

Het praktische voordeel van een smoothie is dat je verschillende vezelbronnen in één bereiding kunt combineren. Blenden verkleint de voedseldeeltjes en kan plantencellen openbreken, maar maakt geen nieuwe vezelsoorten. Zolang je het mengsel niet zeeft, blijven de vezels uit de gebruikte ingrediënten grotendeels in de drank aanwezig. Wat je combineert, hoeveel je gebruikt en hoe regelmatig je die voedingsmiddelen eet, bepaalt welk aanbod aan vezels de darmbacteriën bereikt.

Drinkvoeding als onderdeel van herstel

Na een ziekte of operatie heeft het lichaam voldoende energie, eiwitten en andere voedingsstoffen nodig om te herstellen. Eiwitten leveren aminozuren voor nieuwe lichaamseiwitten, onder meer om beschadigd weefsel te herstellen. Wanneer gewone maaltijden onvoldoende leveren, kan een passend samengestelde voedingsdrank de inname aanvullen. Medische drinkvoeding kan veel calorieën en eiwit in een kleine portie leveren. De samenstelling en de hoeveelheid moeten aansluiten bij de behoeften van de persoon en bij de herstelfase.

Leucine is een aminozuur dat de aanmaak van spiereiwitten helpt stimuleren. Voor die aanmaak zijn ook de andere essentiële aminozuren nodig: bouwstenen die het lichaam niet zelf in voldoende mate kan aanmaken. Tegelijk worden spiereiwitten afgebroken. Voor het terugwinnen van spiermassa moet over langere tijd meer spiermassa worden opgebouwd dan afgebroken. Daarom moet de volledige voeding voldoende eiwit en energie leveren.

Bij revalidatie werken voldoende voeding en een passende spierbelasting samen. Wanneer spieren kracht leveren tegen weerstand, kan dat de aanmaak van spiereiwitten stimuleren. Zo ondersteunt aangepast bewegen het herwinnen van spiermassa en kracht. De voeding moet voldoende eiwit én calorieën leveren om herstel en inspanning te ondersteunen. De belasting wordt afgestemd op de medische toestand, het betrokken weefsel en de herstelfase. Soms is tijdelijke bescherming nodig. Ook tijdens noodzakelijke rust maken spieren nieuwe eiwitten aan en breken ze bestaande eiwitten af; voeding blijft daarbij nodig.

Om de drank op iemand af te stemmen, is kennis van voeding én van die persoon nodig. De arts en diëtist beoordelen de medische toestand en gewichtsveranderingen. Ze gaan ook na wat iemand al eet en goed verdraagt. Wie een drank samenstelt, moet weten welke voedingsstoffen de bereide drank per portie levert. Een zelfgemaakte smoothie heeft niet vanzelf dezelfde samenstelling als voorgeschreven medische drinkvoeding. De arts en diëtist volgen ook op hoeveel iemand werkelijk binnenkrijgt.

Smaak, geur en mondgevoel kunnen worden afgestemd op persoonlijke voorkeuren. Een korte bevraging helpt om te bepalen hoe zoet, fris, kruidig of dik de drank mag zijn. Fruit, kruiden en specerijen bieden veel combinatiemogelijkheden. Daarbij moeten de samenstelling en portiegrootte blijven aansluiten bij het voedings- of behandelplan.

Of voedingsondersteuning helpt, moet blijken uit wat iemand werkelijk binnenkrijgt en hoe die persoon herstelt. In een Cochrane-overzicht van 94 studies bij volwassenen met ondervoeding door ziekte werden verschillende vormen van ondersteuning met elkaar vergeleken. Bij voedingsadvies met aanvullende drinkvoeding was de gewichtstoename na drie maanden gemiddeld ongeveer 1,15 kilogram groter dan bij alleen voedingsadvies. De zekerheid van dit bewijs was laag en de gebruikte producten verschilden. Deze uitkomst geldt dus niet voor elk zelfgemaakt smoothierecept. Bij de opvolging moet afzonderlijk worden nagegaan of iemand ook kracht terugwint en dagelijkse activiteiten beter kan uitvoeren.

Voor iemand met kauwproblemen kan een zachte of drinkbare maaltijd gemakkelijker zijn. Bij slikproblemen moet afzonderlijk worden beoordeeld welke dikte geschikt is: een dunne drank is niet voor iedereen gemakkelijker of veiliger om te slikken. Een logopedist of een andere betrokken zorgverlener kan dit beoordelen. Er moet ook worden nagegaan of iemand voldoende blijft drinken en eten.

Bij een eetstoornis kan drinkvoeding nodig zijn als het niet lukt om voldoende te eten. Ze hoort binnen een behandelplan met medische, voedingskundige en psychologische begeleiding. Begeleide spierbelasting kan daarin een plaats krijgen zodra de medische toestand dat toelaat. In een studie bij 36 meisjes met restrictieve anorexia volgde de helft acht weken een begeleid krachtprogramma; de andere helft kreeg geen trainingsprogramma. De trainingsgroep verbeterde vooral op krachtproeven. Het ging om relatief intensieve oefeningen die waren afgestemd op de deelnemers. Het behandelteam bepaalt welke belasting past en stemt de voeding daarop af. Overmatig of dwangmatig bewegen wordt apart behandeld.

Bij ernstige ondervoeding moet het opnieuw opbouwen van de voedselinname medisch worden begeleid. Daarbij kunnen gevaarlijke verschuivingen optreden in onder meer fosfaat, kalium en magnesium in het bloed. Deze stoffen zijn nodig voor de werking van cellen. Daarom worden de hoeveelheid voeding, de opbouw en de bloedwaarden opgevolgd.

Wat moet jouw smoothie aanvullen of vervangen?

Een passende smoothie begint bij de vraag waarvoor je hem wilt gebruiken. Wil je het makkelijker maken om verschillende voedingsmiddelen te eten, je ontbijt te vervangen of je voeding tijdens je herstel aan te vullen? Dat bepaalt welke ingrediënten en hoeveelheden nodig zijn.

Wie de drank samenstelt, moet daarom zowel de voedingsmiddelen als de gebruiker kennen. Wat eet die persoon al? Wat ontbreekt er? Welke smaken en geuren vindt die persoon aangenaam? Welke dikte drinkt prettig en wat wordt goed verdragen? Op basis daarvan kun je de samenstelling en portiegrootte gericht aanpassen. Zo kun je de drank laten aansluiten bij de dagelijkse voeding.

Moet de smoothie een ontbijt vervangen, dan kun je bijvoorbeeld yoghurt gebruiken als eiwitbron, havermout voor koolhydraten en vezels, en noten of zaden voor onder meer onverzadigde vetten. Of de drank voldoende voedingsstoffen levert, hangt af van de hoeveelheden en van wat je die dag verder eet. Tijdens het herstel stem je de drank af op het voedings- of behandelplan.

Welke toekomst heeft vloeibare voeding?

De meerwaarde van een smoothie of voedingsdrank ligt in de functie die hij vervult: verschillende voedingsmiddelen gemakkelijker combineren of een onvoldoende voedselinname aanvullen. Samenstelling, portiegrootte, bereiding en drinkbaarheid moeten daarbij aansluiten bij de persoon en diens dagelijkse voeding. Juist die mogelijkheden verdienen meer aandacht binnen de voedingspraktijk en gericht onderzoek naar concrete recepten en toepassingen.

Een zorgvuldig samengestelde smoothie verdient meer aandacht binnen de voedingspraktijk en het onderzoek. Je kunt er verschillende voedingsmiddelen in combineren en de samenstelling, portiegrootte, smaak en drinkbaarheid afstemmen op de persoon. Dat biedt mogelijkheden voor dagelijks gebruik en voedingsondersteuning tijdens het herstel.

De besproken onderzoeken geven geen antwoord op de vraag wat jarenlang uitsluitend vloeibare voeding betekent voor gezonde volwassenen met een normaal gewicht. Dat vraagt om ander onderzoek dan een proef met één maaltijd, afzonderlijke ingrediënten of tijdelijke voedingsondersteuning.

Gericht onderzoek naar concrete recepten en bereidingswijzen kan verduidelijken welke voedingsstoffen het lichaam opneemt, hoe darmbacteriën de aanwezige vezels verwerken en wat dit uiteindelijk betekent voor de gezondheid en het herstel. Daarbij telt ook of mensen de drank graag en regelmatig gebruiken. Zo kunnen we beter bepalen voor wie een smoothie meerwaarde heeft, in welke hoeveelheid en als aanvulling op of vervanging van welke voeding.

Bronnen en professionele verdieping

De onderstaande bronnen onderbouwen de uitleg over bereiding, vertering, darmbacteriën en voedingsondersteuning.

Camps et al. (2016). Dunne en dikke zuiveldranken met verschillende hoeveelheden calorieën; maaglediging en het ervaren volle gevoel. Toelichting op het verdikkingsmiddel: Wageningen University (2016).

Crummett & Grosso (2022). Bloedglucose na dezelfde combinatie van appel en bramen, heel of geblend.

Gebauer et al. (2016). Energie uit hele en gehakte amandelen en amandelpasta.

Essentiële vetzuren: NIH. Vervanging van verzadigde vetten en LDL: WHO (2023).

Ottaviani et al. (2023). Cacao-extract in capsules en smoothies; enzymactiviteit en flavanolmetingen. Enzymreactie met zuurstof: IUBMB.

Lee et al. (2021). Vacuümblenden: productonderzoek met appel- en bessensap.

Vezels en darmbacteriën: Belenguer et al. (2006), Lancaster et al. (2022) en Wastyk et al. (2021). Afbraak, samenwerking en verschillen in microbiële reacties.

Voeding tijdens herstel: NICE CG32, ESPEN chirurgie (2025) en NICE NG211.

Atherton & Smith (2012). Spiereiwitsynthese, voeding en beweging.

Voedingsondersteuning bij ondervoeding: Baldwin et al. (2021). Voedingsadvies met of zonder aanvullende drinkvoeding.

Volkert et al. (2022). ESPEN-richtlijn over voeding en vocht bij ouderen.

Eetstoornissen en beweging: NICE NG69, Fernandez-del-Valle et al. (2014) en Toutain et al. (2022).

Een uitgebreider wetenschappelijk onderbouwingsdossier bevat de studiedetails, verdere uitleg van de processen, beperkingen en volledige referenties voor beroepspersonen en organisaties.

Delen op :

Blijf op de hoogte van nieuwe publicaties

Nieuwe analyses verschijnen wanneer onderzoek, studie en praktijkobservaties voldoende aanleiding geven tot publicatie.

Elke publicatie sluit aan bij onze visie: begrijpen, leren en leven.